De Saen 075 - 617 39 11
Saendelft 088 - 343 73 43
Westerwatering 075 - 616 07 61

Ziekten

Ziekten

  • Ziektekostenverzekering
  • Artrose
  • Braken
  • Braken door zout:
  • Chocoladevergiftiging bij de hond
  • Chronisch nierfalen
  • Cytologisch onderzoek
  • Diarree
  • Droge ogen
  • Heupdysplasie (HD)
  • Heupdysplasie: officiële HD/ED foto's
  • Jeuk is erger dan pijn
  • Maagdraaiing
  • MDR-1 gen defect
  • Oorontsteking
  • Pathologisch onderzoek
  • Pre-anaesthetisch bloedonderzoek
  • Suikertekort
  • Suikerziekte
  • Vet-Concept
  • Vlooienallergie
  • Voedselallergie

Ziektekostenverzekering

U en uw gezin zijn verzekerd tegen ziektekosten. Dit is verplicht, maar u ziet er ook de noodzaak van in. U wilt dát wat u dierbaar is graag goed beschermen en verzorgen. Heeft u een dure medische behandeling nodig, dan betaalt uw zorgverzekering de rekening. Gelukkig is dit ook mogelijk voor uw geliefde dier, huisdierenverzekering? Zeker het overwegen waard!

Op het gebied van diergeneeskunde is tegenwoordig veel mogelijk. Met de juiste medische zorg kan uw hond langer en in goede gezondheid leven. Sommige behandelingen zijn echter duur. Uw dier kan ernstig ziek worden of betrokken raken bij een ongeval. Dit kan honderden of zelfs duizenden euro’s kosten. Sterker nog, het leven van uw dierbare huisdier kan soms afhangen van een financiële afweging. Een vreselijk dilemma. Met een zorgverzekering voor uw hond kunt u deze nare afweging voorkomen. Voor een vast maandelijks bedrag is uw hond verzekerd van de beste medische zorg en komt u niet voor financiële verrassingen te staan.

In Nederland lopen we sterk achter wat betreft het aantal verzekerde dieren. In omliggende landen is het heel normaal om je dier te verzekeren en is meer dan de helft verzekerd. Eigenaren geven vaak aan dat de medische kosten voor hun huisdier tegenvallen. Dierenartsen moeten helaas regelmatig (optimale) zorg achterwege laten en zelfs dieren euthanaseren vanwege de financiële situatie van de eigenaar! Als u denkt dat u geen verzekering nodig heeft omdat u de medische kosten wel kunt betalen, sta dan even stil bij het volgende:

  • Wist u dat een hond van 25 kg met ernstig braken en diarree al gauw €120,- kost aan één consult, medicatie en voeding? Dit is nog los van eventueel ontlastingsonderzoeken en bloedonderzoeken.
  • Wist u dat de meeste eigenaren bij een bezoek 's nachts aan de dierenarts meer dan €100,- moeten afrekenen?
  • Wist u dat als u hond aangereden wordt en "alleen maar" zijn bovenbeen heeft gebroken dat u bij de orthopeed minimaal €1200,- kost?
  • Wist u dat de behandeling van een hond van 25 kg die een snee in zijn poot heeft, door bijvoorbeeld glas, ongeveer €250,- kost aan narcose, hechtingen, verband, pijnstillers en antibiotica?
  • Wist u dat een darmoperatie met alle onderzoeken van tevoren (medicijnen, consulten, röntgenfoto's), de operatie en nazorg vaak minimaal€ 600,- kost?
  • Wist u dat in de meeste gevallen deze bedragen meteen totaal voldaan moeten worden?

Weet u het zeker dat uw dier geen verzekering nodig heeft?

Kunt u zonder zorgen een onverwachte uitgave van zo’n €1500,- betalen? Dan is het misschien niet nodig om een verzekering af te sluiten. Maar dat is niet voor iedereen altijd mogelijk. Door het afsluiten van een huisdierenverzekering weet u als eigenaar van uw hond dat u goed voorbereid bent op onverwachte medische kosten. Een prettige zekerheid. In Nederland zijn er meerdere goede zorgverzekeringen waarvan Petplan de grootste is. Een identificatiechip is altijd verplicht bij het afsluiten van een verzekering, maar wordt ook meteen vergoed. En nee, misleidende "kleine lettertjes" bestaan niet meer, maar er zijn altijd regels: oftewel de polisvoorwaarden. Lees deze dus goed door voordat u tekent, dan komt u later niet voor verrassingen te staan.

Dierenartsen hebben op geen enkele wijze financieel binding met een zorgverzekeraar en zijn dus onpartijdig. Wel maakt het ons beroep een heel stuk leuker en makkelijker als de eventueel beperkte financiële situatie van de eigenaar niet onze medisch handelen hoeft te beïnvloeden.

Artrose

Wat is artrose?

Artrose is de aftakeling van gewrichten. Dit is pijnlijk en onomkeerbaar. Echter, de pijnlijke gevolgen hiervan kunnen worden behandeld en de snelheid van het aftakelen kan worden beïnvloedt.

Een gewricht verbindt twee botten met elkaar. Op de uiteinden van die botten zit een laagje kraakbeen. Dat kraakbeen is heel glad, zodat de gewrichten gemakkelijk kunnen buigen, draaien of strekken. Bij artrose is dit kraakbeen beschadigd. Hierdoor ondersteunt dit kraakbeen het lichaam minder en ontstaat pijn en ontsteking. Dit kan leiden tot een vicieuze cirkel:

  • De veroorzaakte ontsteking tast het kraakbeen verder aan.
  • Door de pijn ontlast uw dier dit gewricht en hierdoor daalt de spierkracht. Hierdoor komt dus meer gewicht op het gewricht zelf.

Niet alle oorzaken van artrose zijn bekend, maar ontstekingen, groeiproblemen en overdreven belasting op het gewricht behoren tot de mogelijke oorzaken van artrose. Het treft vaak oudere dieren, maar het kan op elke leeftijd ontstaan. Het kan in alle gewrichten voorkomen, maar dikwijls zijn het de heupen, de knieën, de ellebogen en de rug die door artrose als eerste worden aangetast.

Klachten die bij artrose voorkomen zijn: pijn, stijfheid, bewegingsbeperkingen, moeilijk springen, moeilijk opstaan, kreupel lopen, gedragsveranderingen. Vaak zijn de vroegste tekenen heel subtiel.

Behandeling van artrose?

De problemen veroorzaakt door artrose kunnen op verschillende punten worden aangepakt. Het effect van de behandeling is optimaal als alle punten worden aangepakt. Het PlusArtroseprogramma voorziet een jaar lang begeleiding door opgeleide assistentes die alle punten weten op te volgen en aan te pakken zodat er een nieuwe levensstijl wordt gecreëerd voor uw huisdier.

Gewicht

Honden en katten met artrose moeten zo slank mogelijk worden gehouden, zodat de belasting op de gewrichten wordt verminderd. Voor uitgebreid afvallen verwijzen we door naar ons gecombineerd afval/artrose-programma.

Aangepaste beweging

Overbelasting van de gewrichten is slecht. Echter, beweging is heel belangrijk voor de gezondheid van de gewrichten en voor de spierkracht. Wat wel of niet kan, wordt aangepast voor elk dier. Algemeen kan gezegd worden dat alle wilde en plotse bewegingen slecht zijn en dat alle rustige repetitieve bewegingen goed zijn. Er mag bovendien enkel bewogen worden als de spieren niet moe zijn.

Pijn controleren

In overleg met de dierenarts kunnen pijnstillers of alternatieven hiervoor worden gebruikt. Hiervoor wordt een plan opgesteld.

Voedingssupplementen en dieetvoer

Ter ondersteuning zijn er dieetvoeding en voedingssupplementen waar kraakbeen-ondersteunende stoffen aan zijn toegevoegd, zoals omega-3-vetzuren, antioxidanten, glycosaminoglycanen enzovoort. Er bestaan hier vele varianten op.

Fysiotherapie

Door middel van oefeningen en massages leert u zelf de spieropbouw te stimuleren en de pijn te verminderen. Vraag bij de balie van één van onze praktijken voor de mogelijkheden en/of meer informatie.

Braken

Dieren braken gemakkelijker en sneller dan mensen. Zo kan gulzig eten al braken opwekken. Braken kan gebeuren op de meest verschillende momenten: op nuchtere maag of vlak na het eten. Uren na de maaltijd kan zelfs nog onverteerd voedsel worden uitgebraakt. Geel of wit slijm (gal en/of maagsappen) wordt uitgebraakt bij een lege maag. Soms kan bij het braken een bloedvaatje springen, zodat er een sliertje bloed bij het braaksel zit. Is het braaksel puur bloederig dan kan er sprake zijn van een ernstige ontsteking of bijvoorbeeld een ingeslikt scherp voorwerp.

Wanneer is het verstandig naar de dierenarts te gaan?

Een keer braken is geen reden tot bezorgdheid. Soms houdt het maar niet op en blijft het dier meerdere keren per dag braken. Het is dan belangrijk om het braken zo spoedig mogelijk te stoppen. Zo krijgen maag en darmen de gelegenheid om tot rust te komen. Een sliertje bloed in het braaksel is ook niet direct reden tot bezorgdheid. Is het braaksel echter puur bloederig, dan kan er sprake zijn van een ernstige ontsteking, een maagzweer of bijvoorbeeld een ingeslikt, scherp voorwerp.

Een bezoek aan de dierenarts is aan te raden. Deze kan vaststellen door algemeen onderzoek en eventueel een röntgenfoto, echografisch onderzoek, ontlastings- en/of bloedonderzoek, of de oorzaak gelegen is in het maagdarmkanaal (onder andere een infectie door wormen, virusinfectie, verstopping, maagzweer, tumor) of daarbuiten (onder andere leverfalen, nierfalen, alvleesklierontsteking.)

Behandeling

In veel gevallen wordt de therapie gestart met een injectie en/of tabletten om het braken te stoppen. Deze dienen een half uur voor het eten ingegeven te worden, zodat het maag-/darmkanaal even tot rust komt, voordat er voedsel in komt. Meestal zal het dier ook ontwormd worden, indien dat niet zeer recent gedaan is.

Dieetvoeding

Naast het stoppen van braken, is het tijdelijk aanpassen van het dieet heel belangrijk. Het dieet moet licht verteerbaar zijn voor maag en darmen en de juiste eiwitten en voedingsstoffen bevatten. Gekookte kip en rijst is misschien wel lichtverteerbaar, maar bevat ook zeer weinig voedingsstoffen! Een brakend dier eet vaak al nauwelijks en neemt ook nog weinig voedingsstoffen op. Het is dus extra belangrijk om een hoog-energetische voeding te geven zoals Hills i/d of Proplan PPVD EN Gastrointestinal. Deze dieetvoedingen zijn verkrijgbaar bij de dierenarts.

Jonge dieren

Pups, kittens e.d. hebben minder reserves in vergelijking tot volwassen dieren. Deze adviseren wij dan ook sneller om langs te komen. Kijk het niet te lang aan. Het is beter om een afspraak te maken om uw dier te laten onderzoeken. Wanneer kunt u het wel aankijken? Als hij/zij slechts enkele keren heeft gebraakt (twee tot drie keer), niet lusteloos en/of sloom is, geen diarree heeft en hij/zij gewoon eet en drinkt. Bij jonge dieren is het zeker belangrijk om goed te ontwormen en de vochtopname in de gaten te houden.

Algemene richtlijnen met betrekking tot eten en drinken bij braakklachten

Eerste dag:
Op de eerste dag geeft u speciale voeding voor maag-darmklachten, zoals Hills i/d of Proplan. Dit geeft u in kleine porties verdeeld over de dag. Water mag gewoon aangeboden worden, mits in kleine hoeveelheden. Indien dat water echter kort na het geven steeds weer wordt uitgebraakt, kan het beter tijdelijk (2 uur) worden weggehaald. Daarna kunt u ook water in kleine hoeveelheden aanbieden en dit eventueel vermengen met wat rijstenat of "Rehydration Support". De "Rehydration Support" zorgt ervoor dat de hond wat extra voedingsstoffen en zouten binnenkrijgt, waardoor hij gemakkelijker vocht vasthoudt (bij braken verliezen ze namelijk veel vocht).

Tweede dag:
Als het goed gaat met de hond of kat, verminder dan het aantal maaltijden per dag en geef per portie meer van de dieetvoeding.

Derde dag:
Idem als tweede dag.

Vierde tot zevende dag:
Langzaam kunt u de dieetvoeding verminderen en tegelijkertijd het gebruikelijke voer vermeerderen.

Sommige dieren hebben snel en vaak maagdarmklachten. Dit kan te maken hebben met voedselintolerantie of voedselallergie. De hierboven genoemde dieetvoedingen zijn volledige voedingen en dus mag een dier dit desgewenst levenslang krijgen.

Medicijnen kunnen ook braken veroorzaken of maagdarmklachten verergeren. Daarom is het belangrijk om aan de assistente of dierenarts te melden of uw dier medicijnen krijgt. Soms is het namelijk beter om daar (tijdelijk) mee te stoppen, totdat de braakklachten over zijn.

Bij vragen kunt u altijd contact opnemen met één van onze PlusDierenklinieken.

Braken door zout:

Braken door zout: Een slecht plan

Regelmatig worden wij gebeld over een dier dat iets verkeerds gegeten heeft. Een voorwerp (sok, plastic muis oid) of een mogelijk giftige stof (bijv. humane medicijnen, chocolade, bestrijdingsmiddelen). Het beste is dan, om het dier zo snel mogelijk te laten braken. Voorheen werd veelal geadviseerd om het dier een schep keukenzout te geven. Inderdaad gaat een deel van de dieren daarop braken. Het komt echter regelmatig voor dat dieren door een teveel aan zout overlijden. Daarom wordt dit nu sterk afgeraden. Zelfs één schep zout kan al fataal zijn voor uw dier.

Hoe komt dat?

Zout kan braken opwekken, doordat het irriterend werkt op het slijmvlies van het maagdarmkanaal. Blijft het echter in de maag, dan lost het zout op en wordt in het bloed opgenomen. Doordat de hoge zoutconcentratie in het bloed water aantrekt van de omringende weefsels, kan dit leiden tot uitdroging van de cellen. In de hersenen kan dat zorgen voor schade met neurologische klachten als gevolg. De hond wordt rusteloos, prikkelbaar, krijgt toevallen, of wordt juist sloom. Andere symptomen zijn spiertrekkingen, een verhoogde temperatuur, veel plassen/drinken, versnelde ademhaling en hartslag en hartritmestoornissen. Uiteindelijk kan het dier in coma raken en overlijden. In Amsterdam overleed een Schipperke tien uur na het eenmalig ingeven van zout. De hond had daarop wel wat gebraakt, en later bij de dierenarts, na een injectie om braken op te wekken, nogmaals. Helaas was er al te veel zout in het lichaam opgenomen. De andere hond was een twaalf en een half jaar oude Skye terriër van 18 kilogram, die tweemaal een eetlepel zout kreeg. De hond kreeg na zes uur epileptische aanvallen, en raakte twaalf uur later in coma.

Conclusie

Op internet, in EHBO-boeken voor dieren en door dierenartsen wordt het geven van een schep zout nog steeds als advies gegeven, maar gezien het bovenstaande moeten wij dat ten zeerste afraden. De meest veilige manier om een hond te laten braken, is door het geven van een injectie apomorfine, wat bij ons in de kliniek kan gebeuren.

Chocoladevergiftiging bij de hond

Rondom feestdagen zoals de Kerst en Pasen staat er nogal eens chocolade op tafel. Heerlijk!

Maar wist u dat chocolade gevaarlijk is voor honden? Honden kunnen niet tegen de stof theobromine dat in cacao zit. Wanneer uw hond toch chocolade eet, is het goed om zo snel mogelijk contact met ons op te nemen om te overleggen wat er gedaan moet worden. Houd de verpakking bij de hand en schat in hoeveel uw hond heeft opgegeten. Pure chocolade is giftiger dan melkchocolade, wit is geen probleem. Chocolade geeft lichte verschijnselen bij honden van bijv. tien kg. vanaf 100 gram melkchocolade of 12,5 gram pure chocolade.

De verschijnselen bij een vergiftiging kunnen uiteenlopen van milde klachten zoals onrust, braken en diarree tot ernstige klachten zoals hartritmestoornissen, epileptische aanvallen en zelfs overlijden.

Voorkomen is beter dan genezen, dus zorg dat de lekkernijen buiten bereik van uw hond blijven.

Chronisch nierfalen

Nieren en hun werking

De nieren zijn de meest doorbloede organen in het lichaam. Het totale bloedvolume stroomt er meerdere keren per dag doorheen. Ze hebben als hoofdtaak het bloed te filteren van afvalstoffen en deze uit te scheiden in de urine. De nier kan de urine ook meer of minder concentreren naar behoefte en op die manier de waterhuishouding in het lichaam reguleren. Verder is de nier bij de botstofwisseling en de aanmaak van hormonen betrokken.

Wat is chronisch nierfalen (nierinsufficiëntie)?

Chronische nierinsufficiëntie (CNI) is het proces waarbij de nierfunctie over langere tijd steeds verder afneemt. De nieren kunnen daardoor hun functie niet meer goed uitoefenen. Hierdoor hopen afvalstoffen in het bloed op en worden patiënten uiteindelijk misselijk. Tevens kan de nier minder goed de urine concentreren. Dit proces kan al langere tijd (maanden tot jaren) sluimerend aanwezig zijn voordat er verschijnselen optreden die een eigenaar opmerkt. Pas wanneer er meer dan 75% van de nierfunctie verloren is gegaan, gaan dieren verschijnselen vertonen van chronisch nierfalen. Door het sluipende karakter is het ook vaak lastig om de onderliggende oorzaak vast te stellen. CNI komt voor bij honden en katten van alle leeftijden en geslachten, maar het treft vooral oudere dieren. Het risico neemt dan ook toe met de leeftijd. Bepaalde rassen bij zowel hond als kat zijn vatbaarder voor CNI. Het is bovendien één van de belangrijkste doodsoorzaken bij oudere katten.

Verschijnselen van chronische nierinsufficiëntie:

  • Vroeg stadium: gebrek aan eetlust, zwakte, lusteloosheid, gewichtsverlies en uitdroging. Meer drinken en meer plassen komt ook wel voor in het vroege stadium.
  • Meer gevorderd stadium: braken, slechte ademgeur, slecht verzorgde vacht.

Er zijn aandoeningen die CNI kunnen veroorzaken, ook al zijn deze primaire oorzaken van CNI vaak niet meer te achterhalen. Oorzaken van CNI kunnen zijn:

  • Leeftijdsgebonden processen
  • Bacteriën of virussen
  • Hoge bloeddruk
  • Oorzaken vanuit het immuunsysteem
  • Tumoren
  • Giftige stoffen voor de nier (ook wel nefrotoxische stoffen genoemd)

Preventief onderzoek

Door middel van (preventief) onderzoek kunnen we schade aan de nieren bepalen:

  • Urine-onderzoek: hiermee zijn het concentratievermogen, de aanwezigheid van eiwitten, bacteriën en ontstekingscellen in de urine te bepalen. Deze waarden kunnen een duidelijke indicatie geven over de schade aan de nieren. Daarom is dit tevens een belangrijk onderdeel om na de diagnose met regelmaat te herhalen om de nierfunctie te evalueren.
  • Bloedonderzoek: hiermee zijn nierwaarden, elektrolyten en het aantal rode bloedcellen te bepalen. Ook na de diagnose is dit een belangrijk onderdeel om met regelmaat te herhalen om de nierfunctie te evalueren.
  • Bloeddrukmeting: de bloeddruk is bij één op de vijf katten met CNI langdurig te hoog. Dit kan negatieve gevolgen kan hebben voor de nieren én voor de ogen. Het kan zelfs blindheid veroorzaken!
  • Echo-onderzoek: hiermee kan de structuur en de vorm van de nieren beoordeeld worden. Soms kan dit een idee geven over de oorspronkelijke oorzaak voor nierfalen.

Wat is de prognose van chronische nierinsufficiëntie?

CNI is helaas niet te genezen. Het weefsel dat verloren is gegaan, kan niet meer hersteld of vervangen worden. Uiteindelijk zal deze ziekte dus geleidelijk aan verergeren. Behandeling kan het proces wel vertragen en in sommige gevallen zelfs stopzetten! Hoe eerder deze aandoening wordt gediagnosticeerd, hoe groter de kans dat de preventieve maatregelen doel treffen.

Behandeling en zorg na diagnose chronische nierinsufficiëntie

Een behandeling is vooral gericht op het behouden van kwaliteit van leven voor het dier en daarbij proberen het proces te vertragen. Het behandelplan kan uit de volgende zaken bestaan:

Nierdieet: dit is een zeer belangrijk onderdeel voor langdurige behandeling van nierfalen. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat een nierdieet de gemiddelde overlevingstijd van een dier met een chronisch nierprobleem verdubbelt en de levenskwaliteit verbetert! De nierdiëten van Hill's en Purina Pro Plan zijn uitsluitend bij de dierenarts te koop.

  • Een nierdieet bevat hoogwaardige eiwitten, waardoor het lichaam minder schadelijke stoffen voor de nieren produceert. Tevens bevat het minder fosfaat en zout en een hogere concentratie aan essentiële vetzuren.
  • Het vergroot de kwaliteit én duur van het leven van de patiënt door zeker te stellen dat deze voldoende energie binnen krijgt.
  • Het remt de klinische verschijnselen van CNI en remt de snelheid waarmee de nieraandoening verergert.

Infuus: om de vochtbalans in het lichaam te normaliseren en nierwaarden verlagen door het spoelen van de nieren. Dit kan ook door de eigenaar thuis gedaan worden.

Aanvullende medicatie: uit de onderzoeken kan blijken, dat er nog aanvullende medicatie gegeven moet worden om bijv. de opname van fosfaat te verlagen, eiwit verlies via de nieren te verminderen of te hoge bloeddruk tegen te gaan.

Na diagnose van CNI is het belangrijk om elke drie tot zes maanden (in ernstige gevallen om de een tot twee maanden) op controle te komen bij de dierenarts. De patiënt wordt weer helemaal onderzocht en bloeddrukmeting, urine- en bloedonderzoek worden herhaald.

Screenend bloedonderzoek bij de oudere hond of kat

Bij de seniore katten en honden nog zonder verschijnselen kan het al zinvol zijn om jaarlijks een screenend urine- en/of bloedonderzoek te doen en de nierfunctie en evt. ook de functie van andere organen na te kijken. Op deze manier kunnen vroege nierproblemen (en andere aandoeningen) aan het licht komen en behandeld worden.

Cytologisch onderzoek

Om zoveel mogelijk onderzoeken bij Plusdierenklinieken op onze locaties uit te kunnen voeren en de dieren zo snel mogelijk te helpen, hebben we twee dierenartsen die zich bekwaamd hebben in het cytologisch onderzoek. Bij dit onderzoek wordt de structuur en functie van cellen met behulp van een microscoop bekeken. Zo kunnen we bijvoorbeeld biopten en/of puncties van bultjes, afkrabsels van de huid of afdrukjes van een wondje beoordelen. Ook kunnen we op deze manier biopten van inwendige organen onderzoeken die tijdens een echo-onderzoek worden verkregen.

Als je dier bijvoorbeeld een bultje heeft, is het belangrijk het te laten onderzoeken. Het voornaamste doel van het cytologische onderzoek is onderscheid maken tussen ontsteking of tumor. Soms is het nog onschuldiger en blijkt er sprake van een cyste of talgklier. Bij een tumor wil je weten of het een goed- of kwaadaardige tumor betreft. Het is fijn als je daar zo snel mogelijk de uitslag over krijgt. Als we niet zeker zijn van de uitslag, sturen we het op naar het laboratorium. Maar meestal kan die tijd dus uitgespaard worden. Aan de buitenkant is niet te zien of een bultje 'onschuldig' is of niet. Met deze snelle methode is dus heel veel meer informatie te krijgen!

De dierenartsen dierenartsen die het cytologisch onderzoek uitvoeren zijn: Ignas Hattink en Femke van Kempen.

Diarree

Iedere hond heeft wel een keer diarree. Dit is niet meteen een drama. Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen acute en chronische diarree. Als er andere klachten bijkomen kan de diarree ook gevaarlijker zijn.

Acute diarree (minder dan vijf dagen)

Dit is de diarree die plots komt opzetten en die slechts een paar dagen aanhoudt. De ontlasting is iets dunner (als vla) tot waterig. Er kan slijm bij gemengd zijn en soms een beetje vers bloed. Deze honden blijven meestal wat langer in de poephouding zitten, moeten vaker poepen en poepen soms in huis. Over het algemeen zijn de honden verder niet ziek, eten nog goed (maar niet altijd) en zijn hooguit iets kalmer in hun gedrag.

Veel voorkomende oorzaken van acute diarree zijn maagdarmvirussen (rota- of coronavirus), wormen of dat ze iets verkeerds gegeten hebben. Dat laatste betekent dat ze plots van voeding zijn veranderd, dat ze de vuilniszak geplunderd hebben of dat ze iets van straat hebben gegeten. Let op: deze laatste twee zijn lang niet altijd zo onschuldig als ze lijken! Acute diarree gaat vaak vanzelf over bij normaal gezonde dieren en een bezoek aan de dierenarts is niet altijd nodig (zie verder).

Ondersteuning bij het bedwingen van de diarree helpt om de diarree sneller onder controle te krijgen. Hierbij maken we gebruik van ontwormingsmiddelen, probiotica (goedaardige bacteriën) en licht verteerbare voeding. Wij kiezen het liefst voor een dieetvoeding met een laag vetgehalte, dat wel alle voedingsstoffen bevat die uw hond nodig heeft. Gekookte kip of vis met rijst is ook lichtverteerbaar, maar dit is geen complete voeding en mist de belangrijke voedingsstoffen die een hond nodig heeft. Let op: geef zelf geen medicatie aan uw hond! Met de beste bedoelingen kunt u zelf meer kwaad doen, dan goed (zoals bv. Norit, Imodium of paracetamol).

Chronische diarree (meer dan vijf dagen)

Soms duurt de diarree langer dan een paar dagen en wordt dus chronisch. Deze grens leggen we meestal op ongeveer vijf dagen. Dit is het moment dat we zeker aanraden om verder onderzoek te laten doen door de dierenarts. Oorzaken van chronische diarree kunnen namelijk veel ernstiger zijn. Denk hierbij aan parasieten (Giardia), voedselovergevoeligheid, lever-, nier-, alvleesklier- of schildklierproblemen enz. Hierbij doet uw dierenarts een uitgebreid lichamelijk onderzoek en bepaalt de ernst van de problemen. In sommige gevallen is het nodig om verder onderzoek te doen, zoals een urine-, ontlastings- of bloedonderzoek.

De diarree gaat nu op zichzelf ook problemen gaan vormen. De honden raken namelijk snel uitgedroogd en ondervoed. Het is dus heel belangrijk dat ze altijd voldoende te drinken hebben. Let op, ook hier geldt: geef zelf geen medicatie aan uw hond! Met de beste bedoelingen kunt u zelf meer kwaad doen, dan goed (zoals bv. Norit, Imodium of paracetamol).

Pups, oude honden en honden met bijkomende klachten

In sommige gevallen is extra voorzichtigheid geboden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan jonge pups en hele oude honden. Deze honden hebben minder reserves en zijn dus sneller uitgedroogd of ondervoed. Zorg dus dat deze honden zeker voldoende vocht en voedingsstoffen binnenkrijgen en raadpleeg direct uw dierenarts.

Als de klachten van uw hond niet bij diarree enkel beperkt blijven, is het ook sterk aan te raden om uw dierenarts te bezoeken. Mogelijke andere klachten kunnen zijn: sloomheid, langer dan twee dagen niet willen eten, braken, zwarte ontlasting, vermageren, veel bloed in de ontlasting of buikpijn.

Wat wil uw dierenarts van u weten bij een bezoek

Als u besluit een bezoek te brengen aan de dierenarts, is het nuttig om van tevoren al over wat zaken na te denken. Dit helpt ons om een compleet beeld te krijgen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan hoe lang de diarree al duurt, hoe de diarree er uit ziet (kleur, vorm, bloed), of uw hond iets verkeerds gegeten kan hebben, of er voedingsveranderingen zijn geweest, wanneer uw hond voor het laatst ontwormd is, wat de vaccinatiestatus van uw hond is en of uw hond nog eet. Het kan altijd helpen om wat ontlasting (bij voorkeur van een aantal dagen) mee te nemen.

Bij twijfel kunt u altijd contact opnemen met ons.

Droge ogen

Keratoconjunctivitis Sicca (KCS) bij de hond

Droge ogen ofwel keratoconjunctivitis sicca (= KCS) is een uitdroging van het hoornvlies (= de buitenste, doorzichtige bekleding aan de voorzijde van het oog) en het oogslijmvlies. Het is een gevolg van een tekort aan tranen of het niet goed functioneren van het laagje traanfilm door een verkeerde samenstelling van het traanvocht.

KCS is een relatief veel voorkomende aandoening bij de oudere hond en mens. Hoewel de aandoening zowel bij kruisingen als bij rashonden en -katten wordt vastgesteld, zien we het vooral bij de kleine hondenrassen zoals de langharige Dashond, de West Highland White Terriër, de Yorkshire Terriër, de Cocker Spaniël, de Cavalier King Charles Spaniël, Pekinees, de Shih Tzu, de Lhasa apso, de Poedel en de Beagle.

Tranen

Tranen dienen vooral om het oog vochtig te houden. Bij elke knipperslag wordt het traanvocht in een dun laagje gelijkmatig over het oog verdeeld. Dit dunne laagje noemt men de traanfilm en dient het oog te beschermen tegen de buitenlucht. Sommige dieren produceren onvoldoende traanvocht om hun ogen voldoende vochtig te houden. Dit heeft tot gevolg dat de ogen gaan branden, jeuken of slijm afscheiden.

Wat is de oorzaak van KCS?

Zogenaamde droge ogen worden in ons leefklimaat zeer vaak veroorzaakt door het eigen lichaam van de hond of kat en door factoren van buitenaf. Door het ouder worden van de huid en slijmvliezen worden de ogen wat droger. Te droge lucht in huis, vervuilde lucht in de randstad en/of harde wind geven dan bij veel van de oudere dieren bovengenoemde klachten. Een andere belangrijke oorzaak bij de hond is een onvoldoende productie van tranen doordat de traanklieren worden vernietigd door het eigen lichaam.

Overige oorzaken van droge ogen zijn:

  • Te weinig of helemaal niet knipperen met de ogen (zoals bij dieren onder narcose)
  • Onvoldoende sluiten van de oogleden tijdens het slapen (vooral bij de groot-ogige, kortneuzige honden- en kattenrassen)
  • Het gebruik van bepaalde medicijnen (zoals sulfapreparaten)
  • Infecties (zoals niesziekte bij de kat)
  • Tumoren
  • Vergiftigingen
  • Voedingstekorten (zoals vitamine A)
  • Na chirurgisch verwijdering van de traanklier in het derde ooglid
  • Aangeboren, niet goed gevormde traanklieren
  • Letsels van de zenuwvoorziening van de traanklieren, de traanklieren zelf of hun afvoerbuisjes.
  • Oorontstekingen en letsels bij de basis van het oor kunnen de zenuwvoorziening van de traanklieren verstoren.

Hoe weet ik of mijn dier droge ogen heeft?

Het hoornvlies heeft een dof aspect en de slijmvliezen van het oog en de oogleden zijn rood.
Soms kunnen droge ogen worden afgewisseld met tranende ogen: de basisbevochtiging is onvoldoende en als reactie daarop gaan de ogen zo nu en dan tranen.

Als de KCS al langer bestaat, is er ook een pussige ooguitvloeiing, die vaak op de oogbol blijft hangen. In een nog later stadium kan het hoornvlies een grijsverkleuring en/of zweertjes gaan vertonen. Bloedvaatjes vanuit de slijmvliezen kunnen in het hoornvlies gaan groeien. Vaak is de neus droog.

De dierenarts kan de hoeveelheid traanproductie meten met de Schirmer Tear Test.
Het traanvocht kan ook nader onderzocht worden door toevoeging van kleurstofdruppels.

Wat is de behandeling van KCS?

De meest gebruikte methode is het regelmatig druppelen van de ogen. Ook zijn er medicijnen die de traanproductie kunnen stimuleren. Na twee en vier weken wordt het effect hiervan gecontroleerd door de traanproductie opnieuw te meten. Op die dag mogen geen medicijnen op het oog worden aangebracht. Het is tevens nodig zaken te vermijden die extra droogte of irritatie geven, zoals rook of een ventilator in de auto.

Voor de behandeling van een ernstige KCS is meer nodig, dan alleen het vochtig houden van de ogen met oogdruppels. De pussige ooguitvloeiing moet met het slijmverdunnende middel acetylcysteïne en een steriele fysiologische zoutoplossing worden opgelost en uitgespoeld. Daarna wordt een zalf met antibioticum en vitamine A op de ogen aangebracht.

Bij katten en honden met totaal geen traanproductie of die slecht te hanteren zijn, kan een operatie worden overwogen. Hierbij wordt de afvoerbuis van de speekselklier omgeleid naar het oog. Er dient dan echter wel een normale speekselproductie te bestaan. Deze "ductus parotis transpositie" zorgt dat het oog met speeksel wordt bevochtigd, waardoor de ogen niet vele malen per dag gedruppeld hoeven te worden. Een nadeel van deze operatie is dat het speeksel kalkneerslagen op het hoornvlies, het onderste ooglid en de haren veroorzaakt. Tevens is deze operatie bij de kat (in tegenstelling tot bij de hond) lastig uit te voeren.


Wat is de prognose van KCS?

Zolang de ogen goed vochtig worden gehouden: goed.

Bij een chronische KCS treedt vaak wel enig herstel van de traanproductie op, maar meestal geen volledig herstel. Dit betekent: levenslang twee tot acht maal daags medicatie en de ogen regelmatig door de dierenarts laten controleren. De kat heeft over het algemeen een betere prognose dan de hond.

Heupdysplasie (HD)

Heupdysplasie of HD is een ernstige aandoening die de levenskwaliteit van een hond in grote mate kan verminderen. Bij een vroegtijdige diagnose kunt men de ontwikkeling van HD bijsturen of zelfs genezen.

Wat is HD?

Het heupgewricht wordt gevormd door een kop (van het bovenbeen) die past in een kom (van het bekken) die mooi op elkaar horen aan te sluiten. De kop en kom ontwikkelen zich samen, doordat de kop zich bij het groeien dieper in de kom duwt. Als de kom en kop niet mooi aansluiten (zoals bij uw hond) ontwikkelen de kop en de kom zich niet meer samen en verergert zodoende de aansluiting en de kans op problemen. Een slechte aansluiting leidt tot slijtage van het kraakbeen en artrose van de heupen. Dit is onherroepelijk, pijnlijk en voortschrijdend. Goed ontwikkelde heupen ontwikkelen geen artrose.

Ontwikkeling

Heupen ontwikkelen zich in de eerste 14 maanden van een hondenleven. Bij heupdysplasie treedt er onvoldoende ontwikkeling van de heupen op en verergert de situatie van de heupen zich naarmate de ontwikkeling voortschrijdt. Klachten van heupdysplasie treden echter vaak op nadat de ontwikkeling van de heupen afgelopen is en het dus te laat is om nog op die ontwikkeling in te grijpen.

Vroegtijdige diagnose

Heeft u een HD gevoelig ras of is bij uw hond heupdysplasie geconstateerd door de dierenarts? Dan weten we nog niet of deze heupdysplasie tot problemen zal leiden.

Een vroegtijge diagnose biedt de mogelijkheid om de aandoening aan te tonen, nog vóór er klachten ontstaan en in te schatten welke kans uw hond maakt om HD-gerelateerde problemen te ontwikkelen. U kunt dan de nodige maatregelen nemen om de ontwikkeling van de aandoening tegen te gaan. Hiermee kunt u toekomstige klachten vermijden of verminderen.

Röntgenfoto's

De eerste tekenen van HD kunnen wij met zekerheid onderkennen op de leeftijd van 16 weken (vier maanden). Hierbij wordt onder volledige narcose een aantal röntgenfoto's genomen, waarop verschillende metingen uitgevoerd worden die elk een ander aspect van de heupen onderzoeken: stabiliteit van de heup,interactie tussen heupkop en heupkom, soepelheid van het gewricht, tekenen van artrose, stevigheid van de rug, enzovoort.

Door het zorgvuldig interpreteren van alle waarden kunnen wij een toekomstbeeld van de heupontwikkeling schetsen.

Begeleiding

Op basis van dit geschetste toekomstbeeld geven wij adviezen om de heupontwikkeling in zo goed mogelijke banen te leiden, zoals bewegings- en voedingsadvies of fysiotherapie.

In de ernstigste gevallen wordt ook een chirurgisch ingrijpen geadviseerd.
Bij dieren jonger dan vijf maanden kunnen wij met een simpele en weinig pijnlijk chirurgische ingreep de heupontwikkeling duidelijk verbeteren. Bij oudere dieren is deze ingreep niet meer mogelijk en kan alleen een ingrijpende en meer belastende chirurgie overwogen worden.

Bij dieren ouder dan één jaar, kan men niet meer ingrijpen op de ontwikkeling  van de heupen.

Heupdysplasie: officiële HD/ED foto's

Dierenarts Christel Baltus (Saendelft, Assendelft) heeft de licentie van de Raad van Beheer gekregen om officiële HD/ED foto's te maken van honden.

Heupdysplasie (HD) is een ontwikkelingsstoornis van de heupgewrichten en wordt bepaald door erfelijke factoren en uitwendige invloeden.
De beoordeling van de foto's wordt door de Raad van Beheer uitgevoerd en geformuleerd van A (geen aanwijzing voor HD) tot E (ernstige afwijkingen).

Vaak zijn deze foto's verplicht wanneer u wilt gaan fokken met uw hond.

Alle honden moeten minstens twaalf maanden oud zijn, uitgezonderd de volgende rassen die minstens 18 maanden moeten zijn:

  • Berghond der Maremmen
  • Bullmastiff
  • Landseer ECT
  • Mastiff
  • Neuwfoundlander
  • Sint Bernard
  • Bordeaux dog
  • Duitse dog
  • Leonbergse hond
  • Mastino Napoliltano
  • Pyrenese berghond

Elleboogdysplasie (ED) is een ontwikkelingsstoornis van de ellebooggewrichten en wordt bepaald door erfelijke factoren en uitwendige invloeden.
De beoordeling van de foto's wordt door de Raad van Beheer uitgevoerd en geformuleerd van "vrij" tot aan graad drie (ernstige afwijkingen).
De foto’s worden beoordeeld op diverse vormen van elleboogdysplasie, m.n. op OCD*, LPC**, LPA*** en incongruentie.

Alle honden moeten minstens 18 maanden oud zijn, uitgezonderd de volgende rassen die al vanaf 12 maanden gecontroleerd kunnen worden

  • Golden Retriever
  • Labrador Retriever
  • Nova Scotia Duck Tolling Retriever
  • Flatcoated Retriever
  • Duitse Herdershond
  • Rottweiler

Officiële HD/ED foto's worden gemaakt voor rashonden met stamboom. Onze dierenarts mag contractueel geen uitspraken doen over de foto’s die gemaakt zijn. De beoordeling wordt enkel door de Raad van Beheer gemaakt. Van hen ontvangt u de officiële uitslag van het onderzoek.

Voor meer informatie, zie Raad van Beheer.

Wilt u meer informatie over deze foto’s, of wilt u zelf een nestje fokken op verantwoorde wijze? Neem gerust contact met ons op voor meer informatie of het maken van een afspraak.

*OCD: osteochondritis dissecans
**LPC: losse processus coronoïdeus
***LPA: losse processus anconeus

Jeuk is erger dan pijn

'Jeuk is erger dan pijn.' Het is misschien een cliché, maar voor u als eigenaar van een huisdier met jeuk vaak uit het hart gegrepen. Het is niet leuk om tegen uw hond of kat aan te kijken die alsmaar zit te krabben, bijten en schuren. Het kost uw huisdier  zoveel energie dat hij of zij lusteloos wordt en duidelijk zichzelf niet is. Jeukklachten zijn frustrerend omdat het meestal voor een eigenaar en de dierenarts niet direct duidelijk is waar de klachten vandaan komen en dus het vinden van een direct goed werkende behandeling niet eenvoudig is.

De dermatologie onderzoekt en behandelt dieren met huidziektes, inclusief problemen van de vacht, de nagels en de oren. Huidziektes kunnen bij uw huisdier veel last veroorzaken in de vorm van jeuk of pijn. Maar andere klachten kunnen ook voorkomen, zoals kale plekken, een schilferige of stinkende huid, korsten of pukkels. Als klachten heel lang spelen praat je over een chronisch probleem.

Gelukkig komen er steeds meer mogelijkheden om uw huisdier te helpen om van de jeuk af te komen. Het is belangrijk niet alleen de jeuk te behandelen, maar uit te zoeken waardoor de jeuk wordt veroorzaakt. Er wordt door de dierenarts vaak een stappenplan gemaakt om tot een diagnose te komen. Zo wordt duidelijk welke onderzoeken er gedaan worden en hoeveel tijd de behandeling van een dermatologisch probleem in beslag kan nemen.

Het onderzoek begint met een uitgebreide anamnese (vragenlijst), een inspectie van de huid en eventueel afkrabsels van de huid. Dit wordt tijdens het eerste bezoek aan de praktijk gedaan. Vaak moet er uiteindelijk verder onderzoek gedaan worden. Het is afhankelijk van het probleem welk aanvullend onderzoek er wordt gedaan. Het aanvullende onderzoek kan bestaan uit huidbiopten, allergietesten ( op voeding, pollen, mijten, allergie etc), bloedonderzoek en urineonderzoek.

Huidproblemen zijn vaak lastig te behandelen. Daarom kan het relatief lang duren voordat er een diagnose is en de behandeling aanslaat. Bij huidproblemen is het vaak zo 'de aanhouder wint'. Samen met u gaan wij er alles aandoen om het probleem bij uw huisdier aan te pakken en op te lossen en zodoende zijn/haar huid- en vachtkwaliteit te verbeteren, waardoor uw huisdier weer een vrolijk en jeukvrij leven krijgt.

Maagdraaiing

Een maagdraaiing komt voornamelijk voor bij grote hondenrassen met een diepe borstkas, zoals Duitse Doggen, Ierse Wolfshonden, Herders, Retrievers en andere grote rassen. Meestal begint het met een hele sterke uitzetting van de maag (dilatatie). Dit kan veroorzaakt worden door een combinatie van (te) veel eten, drinken, een grote hoeveelheid lucht inslikken of een maagdarmaandoening. Het zwaartepunt van de maag wordt dan verplaatst, met als gevolg dat deze kan gaan draaien. De maag zit bij de meeste dieren namelijk alleen vast aan de slokdarm aan de voorzijde en aan de twaalfvingerige darm aan de achterzijde. Wanneer de maag een slag draait, worden de slokdarm en de darmen dichtgeknepen. Hierdoor kan er niets meer de maag in of uit. Bloedvaten komen ook in de verdrukking, met alle gevolgen van dien.

Symptomen

Bij een maagdraaiing zijn de symptomen meestal al snel erg verontrustend. Doorgaans is de hond net na het eten onrustig en misselijk. Hij voelt zich duidelijk niet lekker. Vaak probeert hij te braken, maar dit lukt niet en hoogstens komt er wat wit slijm uit. In korte tijd zwelt de buik duidelijk op, en vooral aan de linkerkant. Dit komt doordat het voedsel in de maag enigszins verteerd wordt, waarbij er gassen vrijkomen. Deze kunnen de maag ten gevolge van de draaiing niet meer verlaten. Bij het op de buik tikken aan de linkerzijde van de hond kun je een holle toon horen.

Diagnose

De diagnose van een maagdraaiing wordt onder andere gemaakt op basis van het verhaal en de symptomen.
Bij onzekerheid kan er een röntgenfoto gemaakt worden, de met gas gevulde, gedraaide maag is dan duidelijk zichtbaar.

Behandeling

Wanneer een hond een maagdraaiing heeft, dient er razendsnel te worden ingegrepen. Dit is namelijk een levensgevaarlijke situatie en zonder ingrijpen zal de hond zeker doodgaan.

Om te beginnen wordt er een infuus aangelegd om de (levensbedreigende) shock te bestrijden. Daarna wordt geprobeerd een slang (maagsonde) in de maag te brengen. Als het meezit kan zo een deel van het gas en een hoeveelheid maaginhoud afgevoerd worden. De maag wordt hierdoor kleiner en de kans bestaat dat hij weer in zijn normale positie terugdraait. Wanneer de maag meer dan 180º gedraaid is, zal een slang niet meer tot in de maag gebracht kunnen worden. In dat geval wordt geprobeerd dwars door de buikwand heen met een holle naald de maag aan te prikken. De gassen kunnen door de naald naar buiten en met een beetje geluk draait de maag zover terug dat het mogelijk wordt de maagsonde erin te brengen om de rest van de inhoud eruit te hevelen. Indien dit alles niet lukt, of indien het wel lukt, maar de maag daarna toch weer opzet, zit er niets anders op dan operatief in te grijpen.

Operatie

Tijdens de operatie wordt de maag leeggemaakt en weer in zijn normale stand teruggedraaid. Vaak lukt dit door de gesloten maag met de hand te draaien en met een sonde te legen, een enkele keer moet de maag geopend worden om inhoud te verwijderen. De overige organen worden gecontroleerd op schade, die kan ontstaan door de afgeknelde bloedvaten. Wanneer de maag weer in de juiste positie ligt, wordt hij aan de buikwand vastgehecht, zodat er niet nogmaals een maagdraaiing kan optreden. Tijdens de operatie kan blijken dat al een deel van de maagwand is afgestorven, waardoor mogelijk tot euthanasie besloten moet worden. Gemiddeld overleeft ongeveer 40% van de honden deze zware operatie.

De beslissing om de hond te opereren moet snel genomen worden, want de reeds kleine kans op overleving wordt met de minuut kleiner.

Wanneer de behandeling van de maagdraaiing succesvol is, met of zonder operatie, wordt de hond nog enige dagen behandeld met medicijnen, waardoor het samentrekken van de maag gestimuleerd wordt. Verder mogen ze de eerste dag vrijwel niks te eten krijgen. Daarna krijgen ze frequent kleine beetjes licht verteerbaar voer, bijvoorbeeld i/d van Hill's die speciaal ontwikkeld is voor maag-darmaandoeningen.

Preventie

Je kunt proberen het ontstaan van een maagovervulling en -draaiing te voorkomen. Dit kan door de hond in plaats van één of twee keer per dag, wat vaker op een dag te voeren, liefst lichtverteerbare voeding. Laat uw hond geen grote hoeveelheden water ineens drinken, ook niet na inspanning of bij warmte, maar doseer het.  Bovendien is het verstandig niet direct na het eten met een hond te gaan wandelen of stoeien, want daardoor wordt het kantelen van de maag in de hand gewerkt. Een maagdraaiing is altijd een spoedgeval en als de patiënt niet snel behandeld wordt, zal hij zeker sterven.

Sommige eigenaren kiezen ervoor om bij honden met een groot risico op maagdraaiing, de maag preventief vast te laten zetten. Dit kan via een laparoscopische operatie en  ook tegelijk met bijvoorbeeld een sterilisatie. Nadat de maag is vastgezet kan de maag normaal gesproken niet meer draaien. Het is echter wel mogelijk dat de maag nog opzet.

MDR-1 gen defect

Wat is het MDR1-gen?

MDR staat voor MultiDrug Resistance. Het MDR1-gen heeft een belangrijke functie in de barrière tussen bloedvaten en hersenweefsel. Bij de gezonde hond worden het hersenweefsel en centrale zenuwstelsel beschermd tegen hoge concentraties van giftige stoffen (zoals geneesmiddelen) die in de bloedbaan circuleren. Bij een aantal rassen werkt deze barrière niet goed door een defect in het MDR1-gen. Dit kan een overgevoeligheidsreactie opleveren bij gebruik van een aantal medicijnen. Honden met een afwijking in het MDR1-gen kunnen neurologische symptomen vertonen wanneer er risico-medicijnen worden toegediend. Deze risico-geneesmiddelen zijn uiteraard bij ons bekend.

Welke rassen lopen risico?

Al jaren is bekend dat veel Collies (tot wel 70% van de populatie) het MDR1-gendefect hebben. Van meer rassen is bekend dat ook zij het defect in het MDR1-gen kunnen hebben. De afwijking is vastgesteld bij de Australian Cattle Dog, Kelpie, Nova Scotia Duck Tolling retriever (Toller), Pinchers, Collies, Sheepdogs (bijv Sheltie en Bobtail), Schapendoes, windhonden, en herders (o.a. Australian Shepherd, Zwitserse Herder). We moeten er echter rekening mee houden dat het defecte gen ook bij andere, geheel onverwachte rassen, de kop op kan steken. Kruisingen van bovengenoemde rassen kunnen ook dit defect hebben.

Om welke medicijnen gaat het?

Van een aantal medicijnen staat vast dat ze problemen kunnen geven bij honden met een MDR1-gen defect. Daarnaast bestaan er een aantal medicijnen waarvan dit vermoed wordt. Onderzoek is nog steeds gaande en de lijst is dan ook niet vaststaand. Momenteel zijn de volgende medicijnen beschreven als risico-middelen bij honden met een MDR1-gen defect: acepromazine (narcosemiddel), butorphanol (pijnstiller), loperamide (diarree-remmer), ivermectine, selamectine en doramectine (beide anti-parasitaire middelen), een aantal cytostatica (celgroeiremmer, gebruikt bij chemotherapie), digoxine (hartmedicatie), cyclosporines (remt immuunsysteem en wordt o.a. ingezet tegen jeuk (Atopica®). Belangrijk is te weten dat anti-parasitaire middelen als ivermectine en selamectine (zoals in Stronghold) in normale dosering niet schadelijk zijn. Deze middelen geven alleen symptomen bij honden met een MDR-gen defect indien in hoge dosering toegediend. Loperamide wordt ook bij mensen vaak gebruikt als diarree-remmer en is vrij verkrijgbaar bij drogist. Eigenaren met een risico-hond worden afgeraden deze middelen te gebruiken.

Hoe komt mijn hond aan dit MDR-gendefect?

Zoals gezegd: het betreft een gen-defect. Dat betekent dus dat een hond met de aandoening wordt geboren. Deze afwijking erft autosomaal recessief over. Er zijn drie mogelijkheden:

Uw hond is 'vrij' (heeft twee gezonde genen mee gekregen, één van vader en één van moeder). Uw hond zal bij gebruik van de risico-geneesmiddelen geen enkele overgevoeligheidsreactie vertonen en kan de afwijking niet doorgeven aan de volgende generatie.

Uw hond is 'drager' (één gezond en één defect gen). De hond zal het afwijkende gen aan de helft van zijn nakomelingen doorgeven. Dragers kunnen ook een overgevoeligheidsreactie vertonen op de risico-geneesmiddelen, maar dit hoeft niet.

Uw hond is 'lijder' (heeft twee defecte genen mee gekregen, één van vader en één van moeder). Lijders geven het defect door aan al hun nakomelingen en vertonen vergiftigingsverschijnselen bij toediening van risico-geneesmiddelen.

Hoe weet ik of mijn hond het gendefect heeft?

Aan de buitenkant van de hond is dit niet te zien. Soms bestaat het vermoeden, bijvoorbeeld omdat hij/zij heftig heeft gereageerd op een van de medicijnen of omdat het om een ras gaat waarbij de aandoening veel voorkomt. Voor alle risico-rassen raden wij aan om de hond te laten testen. Dit gebeurt met behulp van eenvoudig bloedonderzoek. Hierbij wordt duidelijk of uw hond 'vrij', 'drager' of 'lijder' is. Het is dus niet zo dat alle honden van genoemde rassen niet tegen deze medicijnen kunnen, dat is afhankelijk van de uitslag.

Waarom zou ik mijn hond laten testen?

De redenen om een hond te laten testen op deze aandoening variëren. De erfelijke afwijking in het MDR1-gen kan levensbedreigend worden zodra uw hond medicatie nodig heeft. Het is daarom uiterst belangrijk voor u, uw hond en de dierenarts om op de hoogte te zijn van de erfelijke status van uw hond. Daarnaast kan het van belang zijn om op de hoogte te zijn van een MDR1-gen defect voor het nemen van de beslissing of u wel of niet met de hond moet fokken en om een geschikte reu/teef combinatie te kiezen.

Oorontsteking

Een oorontsteking is een veel voorkomend probleem bij de hond en de kat. De dieren schudden met hun kop, krabben aan één of beide oren en piepen soms van de pijn. Het oor zelf is vaak vies en stinkt, ook is de huid rood. In de meeste gevallen is er sprake van een ontsteking van de uitwendige gehoorgang.

Af en toe zien we bij onze huisdieren ook middenoor ontstekingen. Dit gaat meestal met andere of extra verschijnselen gepaard.   

Alle honden- en kattenrassen kunnen een oorontsteking krijgen. Bij honden zien we wel dat bepaalde rassen er gevoeliger voor zijn. Bijvoorbeeld bij Cocker Spaniëls en Golden Retrievers komt deze aandoening vaker voor.

Oorzaken

Bij jonge dieren en bij katten die vaak buiten komen zien we vaak oormijten die oorontsteking kunnen veroorzaken. Oormijten zijn kleine spinachtige insecten die zich voeden met oorsmeer. Ze zijn zo klein dat ze met het blote oog nauwelijks zichtbaar zijn. Vaak geven ze hevige jeuk aan de kop en oren, soms ook aan de hals.

Hiernaast zijn er ook verschillende soorten bacteriën en gisten die graag in de gehoorgang leven en voor ernstige problemen kunnen zorgen. Deze bacteriën en gisten zorgen normaal niet voor problemen, maar kunnen wel onder de juiste omstandigheden een ontsteking veroorzaken. Zo kunnen te veel oorsmeer, vies water of een grasspriet het begin zijn van een ontsteking. Chronische oorklachten worden vaak veroorzaakt door een onderliggende allergie. Soms kan hypothyreoïdie ook een rol spelen.

Diagnose

Een oorontsteking is duidelijk te herkennen. Het dier houdt zijn kop scheef, flappert met z'n oren of krabt eraan en piept soms van de pijn. De binnenkant van de oorschelp is rood en vies, kan onaangenaam ruiken of uitvloeiing vertonen. Bij middenoorontsteking kan het evenwichtsorgaan aangetast worden en dan zijn de klachten ernstiger. Het dier krijgt evenwichtsstoornissen, loopt cirkeltjes of valt zelfs om.

Omdat de gehoorgang ook met huid bekleed is, is het niet ondenkbaar dat er tegelijkertijd andere klachten bestaan. Daarom is bij ieder dier met een oorontsteking een algemeen onderzoek van groot belang. De dierenarts kijkt of er sprake is van oormijt, een infectie van alleen de gehoorgang, of van een uitgebreider probleem. Soms is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Hierbij kunt u denken aan een uitstrijkje of een kweek van het oorsmeer. Bij langdurige klachten kan het zelfs nodig zijn om een bloedonderzoek uit te voeren om achterliggende oorzaken op de sporen.

Behandeling

Bij oormijt kunt u met een Stronghold pipet goede resultaten boeken. Als alternatief kan ook een oorzalf met een insecticide gebruikt worden. Bij infecties met bacteriën zijn antibiotica-houdende zalven nodig. Bij gistinfecties moet de zalf een schimmeldodend middel bevatten. Bij zeer ernstige ontstekingen geven we ook orale medicatie mee.

Als de gehoorgang erg vies is moeten we deze eerst uitspoelen, zodat de oorzalf zijn werk beter kan doen. Eventueel kunnen we bij dieren die heel veel jeuk hebben een pijnstiller of een jeuk-onderdrukkende injectie geven.

Bij middenoor ontstekingen is een langdurige behandeling met antibiotica noodzakelijk.

Operatie

Bij dieren met steeds terugkerende ontstekingen, die zelfs een dichtgewoekerde gehoorgang gekregen hebben vanwege het vele littekenweefsel, kunnen wij de gehele gehoorgang verwijderen. De problemen zijn dan vaak definitief verholpen. Uw dier kan hierdoor iets minder gaan horen, maar heeft hier weinig hinder van. Bovendien is het gehoor ten gevolge van alle ontstekingen sowieso al sterk verminderd. Deze operatie is een laatste redmiddel bij de hopeloze gevallen.

Pathologisch onderzoek

Heeft uw hond een knobbeltje, een ongewone wond of een gezwel?

Een wond of weefsel kan er ongevaarlijk uitzien en toch kwaadaardig zijn. Om met zekerheid te weten wat voor gezwel het is en of het gevaarlijk is, wordt een biopt (een klein gedeelte van het bultje) of het bultje zelf (na chirurgische verwijdering) opgestuurd naar het laboratorium voor pathologisch onderzoek.

In het laboratorium zal het opgestuurde weefsel ingevroren worden en vervolgens gesneden worden in flinterdunne (microscopische) snedes. Deze snedes worden met speciale kleurstoffen gekleurd en bekeken onder de microscoop door een patholoog. Onder de microscoop kan men het weefsel beoordelen op een schaal die zo groot is als de lichaamscellen. Zo kan men de verschillende cellen identificeren, de structuur van het weefsel herkennen, de goed- of kwaadaardigheid bepalen en ook de randen van het weefsel onderzoeken. Dit maakt het mogelijk om antwoord te geven op verschillende vragen, namelijk:

  • Wat is het voor bultje of plek?
  • Is het goed- of kwaadaardig?
  • Als het kwaadaardig is, wat is de graad (ernst) van die kwaadaardigheid?
  • Wat is de verwachte ontwikkeling van het letsel bij uw dier?
  • Is het letsel in zijn geheel weggenomen? (soms breidt het bultje  zich uit in de omgeving zonder dat dit zichtbaar is voor het blote oog van de chirurg)

Het antwoord op die vragen biedt uw dierenarts de mogelijkheid om u duidelijk en met zekerheid te zeggen waar we mee te maken hebben. Zo kunnen wij een gericht advies geven voor verdere behandeling of controles, indien nodig.

Daarom wordt er door ons aangeraden, net als in de menselijke geneeskunde, om elk onbekend knobbeltje of ander verwijderd weefsel pathologisch te laten onderzoeken.

De uitslag van dit onderzoek is meestal bekend binnen vijf werkdagen.

Pre-anaesthetisch bloedonderzoek

Als een dier een operatie moet ondergaan, is dit een ingrijpende gebeurtenis. Natuurlijk voor het dier, maar zeker ook voor u. Of het nu gaat om een ingewikkelde specialistische operatie of een simpele "routine" ingreep, het dier moet onder algehele narcose (=anesthesie). Naast het risico op complicaties tijdens de chirurgie, is er ook altijd een risico met betrekking tot de anesthesie aanwezig. Om dit risico zo klein mogelijk te houden, adviseren wij om voor de ingreep een pre-anesthetisch bloedonderzoek te laten uitvoeren.

Waarom een bloedonderzoek?

Een pre-anesthetisch bloedonderzoek, oftewel 'een bloedonderzoek voorafgaand aan de narcose', kan extra zekerheid geven omtrent een operatie/narcose. Er wordt gekeken of de organen (lever en nieren) goed functioneren en of er geen verborgen problemen zijn (bijv. suikerziekte) die uw huisdier in gevaar zouden kunnen brengen. Op deze manier kan er gecontroleerd worden of uw huisdier het narcosemiddel, dat hij of zij krijgt, goed kan verwerken.

Wat wordt er in het bloed onderzocht?

De lever en de nieren zorgen voor een ontgiftiging en uitscheiding van het narcosemiddel en zijn belangrijk om het vlot wakker worden uit de narcose te garanderen. De werking van de lever en nieren kan verminderd zijn bij oudere dieren, maar soms ook bij hele jonge of volwassen dieren.

  • Een hoge glucosewaarde in het bloed kan duiden op suikerziekte. Bij een verhoogde waarde worden aansluitend een urine-onderzoek en een bepaling van de fructosamines in het bloed uitgevoerd om de diagnose te bevestigen.
  • Aan het totaal eiwit kunnen een aantal afwijkingen ontdekt worden, bijv. uitdroging en afwijkingen aan lever, nieren of maagdarmkanaal.
  • De hematocrietwaarde zegt iets over het aantal rode bloedcellen in het bloed van uw huisdier. Een te lage waarde wijst op bloedarmoede, een te hoge waarde kan worden veroorzaakt door uitdroging.

Op basis van deze gegevens en het algemeen klinisch onderzoek kunnen de gebruikte narcosemiddelen aangepast worden en/of extra voorzorgsmaatregelen genomen worden. Daarnaast kan verder onderzoek geadviseerd worden of kan zelfs besloten worden de ingreep niet door te laten gaan.

Enkele belangrijke redenen om uw huisdier voorafgaand aan de narcose te laten onderzoeken:

Laat uw dier met een gerust hart achter

Onderzoek vooraf kan medische risico's verminderen

Dieren kunnen niet praten

Een dier dat gezond lijkt, kan symptomen van een ziekte of afwijking verbergen. Een huisdier kan bijvoorbeeld tot 75% van zijn nierfunctie verliezen voordat er verschijnselen zichtbaar worden

Verminder de risico's

Als de uitslagen van het bloedonderzoek normaal zijn, kunnen we verder gaan. Als de uitslagen afwijkend zijn, kunnen we de anaesthesieprocedure en/of de narcosemiddelen aanpassen. Ook kunnen we andere voorzorgsmaatregelen treffen om het risico zoveel mogelijk te verkleinen, bijvoorbeeld door het geven van extra infusen

De gezondheid van uw huisdier in de toekomst

De resultaten van dit bloedonderzoek komen in het medisch dosier van uw huisdier te staan. Deze waarden kunnen dan als referentiewaarden dienen wanneer er bloedonderzoeken plaatsvinden in de toekomst

Er blijft altijd een risico verbonden aan algehele narcose. Met behulp van de bloedonderzoeken kunnen we dit risico echter beter inschatten en, indien mogelijk, verkleinen door aangepaste narcose en het nemen van extra voorzorgsmaatregelen.

Suikertekort

Suiker tekort, ofwel hypoglycemie, betekent een te laag suikergehalte (of glucosegehalte) in het bloed.

Suiker (of glucose) is, naast vetten en eiwitten, een heel belangrijke brandstof in het bloed. Bovendien is glucose de enige brandstof die door de hersenen en spieren gebruikt kan worden.
Te weinig suiker leidt tot te weinig energie voor de hersenen. In milde gevallen heeft het dier plotseling honger, maar in ernstige gevallen kan het dier rusteloos worden, gaan trillen of zelfs in coma gaan en sterven.Het is belangrijk om te weten dat te weinig suiker in het bloed dodelijk kan zijn. Te veel suiker is dat nooit. Te hoog suiker is enkel gevaarlijk wanneer dit langdurig aanwezig is in het lichaam (gedurende dagen, weken, maanden), zoals bij bijvoorbeeld suikerziekte.

Hypoglycemie is dus een gevaarlijke toestand. Er zijn verschillende oorzaken mogelijk:

  • Een teveel aan toegediende insuline
  • Een teveel aan lichaamseigen insuline als gevolg van een kankergezwel
  • Een tekort aan beschikbare suiker (jonge pups die niet eten, ziekte, braken, epilepsie of andere oorzaken).

Hoe herkent u hypoglycemie?

In volgorde van toenemende ernst, kunt u het volgende waarnemen:
(andere symptomen kunnen ook aanwezig zijn en elk abnormaal gedrag is verdacht)

  • Abnormale honger tot niet willen eten
  • Rusteloosheid
  • Zwakte en sloomheid
  • Kop scheef houden
  • Braken
  • Trillen
  • Oncontroleerbare bewegingen, "shaken"
  • Gedesoriënteerd zijn, cirkelgang, wezenloos voor zich uit kijken
  • Epilepsie-aanvallen
  • Coma
  • Sterfte

Vermoed u hypoglycemie?

Behandel eerst, raadpleeg daarna uw dierenarts en houd uw huisdier in de gaten.

Hoe te behandelen?

U wilt het bloedsuikergehalte verhogen, onmiddellijk. Daarna moet de dierenarts maatregelen nemen om de suikerbalans te normaliseren.

Blijf dus kalm!

Smeer suikeroplossingen zoals stroop, honing, druivensuiker of limonade op het tandvlees, onder de lippen en in de mond. De glucose zal zelfs zonder slikken in het bloed worden opgenomen, dwars door het tandvlees. Smeer de suikeroplossing overvloedig over al het tandvlees en onder de tong. Bij dieren buiten bewustzijn enkel op het tandvlees en binnenzijde van de lippen smeren om verslikking te voorkomen. Pas op dat u niet gebeten wordt!

Deze actie zou de symptomen vlug moeten verhelpen (binnen één minuut). Dit effect houdt slechts enkele ogenblikken aan (één tot enkele minuten). Als uw huisdier voldoende bij bewustzijn is, biedt dan normaal voedsel (met extra stroop) aan, als langdurige energiebron. Raadpleeg ondertussen uw dierenarts.

Mijn hond/kat krijgt insuline

Huisdieren met diabetes of suikerziekte krijgen dagelijks (meestal tweemaal daags) insuline geprikt ter behandeling van de suikerziekte. Insuline verlaagt het bloedsuikergehalte. Deze dieren lopen dus altijd (zeven dagen per week, 24 uur per dag en levenslang) het risico op een te laag bloedsuiker-gehalte.

Mijn pup is behandeld geweest voor een hypoglycaemische aanval

Pups, zeker van kleine rassen zoals de chihuahua en de Yorkshire Terrier, hebben heel weinig energiereserves. Bij ziektes, braken of verminderde eetlust kunnen deze reserves dan ook heel snel (al na één dag) volledig opgebruikt zijn. Deze dieren lopen dus altijd (zeven dagen per week, 24 uur per dag tot ze volgroeid zijn) het risico op een te laag bloedsuiker-gehalte.

Wees voorbereid

Bij een verhoogd risico op hypoglycemie is het belangrijk om altijd voorbereid te zijn.

  • Hou deze richtlijnen altijd bij de hand, deel deze ook mee aan alle mensen die de hond verzorgen (vrienden en familie, maar ook pensions en oppassers)
  • Hou altijd suikeroplossing bij de hand, overal waar uw huisdier heen gaat.
  • Denk daar ook aan op reis, bij wandelingen, in de auto,....
  • Honingzakjes zijn gemakkelijk mee te nemen in een zak of handtas. Glucose/oplossing zijn beschikbaar bij de apotheker, Appel- of pannenkoekenstroop bevindt zich meestal in de ontbijtkast, ... denk na over handige meeneemporties.

Conclusie

Vermoedt u een te laag suikergehalte in het bloed van uw huisdier. Behandel dan onmiddellijk door een suikeroplossing op het tandvlees te smeren en raadpleeg daarna uw dierenarts.

Suikerziekte

Suikerziekte, oftewel: diabetes mellitus, betekent dat de alvleesklier te weinig van het hormoon "insuline" aanmaakt. Deze stof zorgt er normaal gesproken voor, dat de cellen van het lichaam het suiker (=glucose) uit het bloed kunnen opnemen, waar het als brandstof gebruikt wordt. Het is erg belangrijk dat er voldoende insuline aan het bloed wordt afgegeven, zodat de lichaamscellen geen brandstof te kort komen. Omdat bij suikerziekte er geen of onvoldoende glucose door de cellen verbruikt kan worden, blijft er een overmaat aan glucose achter in het bloed.

Normaal zijn het kleine groepjes cellen in de alvleesklier, die insuline produceren. In de loop van het leven kunnen deze cellen "uitgeput" raken. Dit gebeurt vooral bij dieren waarbij deze cellen erg hard moeten werken, bijvoorbeeld bij te dikke dieren, dieren met een aandoening die maakt dat de insuline minder goed werkt zodat er meer van nodig is, of dieren die bijvoorbeeld al langere tijd op hogere doseringen prednison staan. De reden waarom een dier suikerziekte ontwikkelt, kan dus verschillen en uw dierenarts zal dan ook proberen de onderliggende oorzaak te vinden en deze behandelen of op te heffen.

Insuline

Naast het (zo mogelijk) behandelen van de onderliggende oorzaak, moet ook het lichaam geholpen worden weer over het bloedsuiker, de glucose, te beschikken. Dit gebeurt door het dier dagelijks te injecteren met insuline. De meeste eigenaren zien daar in eerste instantie tegenop, maar wij leren dat de eigenaren rustig aan.

Voeding

Naast het spuiten van insuline is het van belang, dat de stofwisseling zodanig wordt aangepast, dat de bloedsuikerspiegel zoveel mogelijk constant blijft. In normale voeding zitten veel en erg makkelijk opneembare suikers (koolhydraten). Daardoor stijgt de hoeveelheid glucose in het bloed na de maaltijd snel, en moeten de alvleeskliercellen hard werken. Speciale voeding (Hill's prescription diet m/d of w/d), bevat minder suiker en meer eiwitten. Tevens worden de suikers uit dit voer veel langzamer en gelijkmatiger opgenomen, waardoor de bloedsuikerspiegel constanter blijft.

Prognose

Helaas is het zo dat als suikerziekte ontstaan is, het veelal blijft bestaan, en dus levenslang behandeld zal moeten worden. Bij vroegtijdig ingrijpen met aangepaste voeding en het injecteren van insuline krijgen de uitgeputte alvleeskliercellen rust en kan de suikerziekte verminderd worden en soms helemaal verdwijnen! Dit is echter vaak niet van blijvende aard en het regelmatig controleren van de bloedsuikerspiegel blijft dan ook nodig. Een suikerziekte patiënt zal dus levenslang onder controle moeten blijven bij een arts.

Vet-Concept

Als uw hond een voedselallergie of een voedselintolerantie heeft, moet hij of zij zich houden aan een strikt dieet. Het is goed om te weten dat er wel iets bestaat waar u uw hond mee kan verwennen!

Vet-concept heeft hypo-allergene kauwartikelen en beloningen. Deze zijn gemaakt van niet-gangbare vleesbronnen of zijn puur plantaardig.  Daarom is de kans dat de allergieklachten terugkomen na het geven van deze producten klein, maar helaas niet uitgesloten. Probeer een product uit gedurende twee weken. Als de klachten dan niet terugkomen kunt u, op dezelfde manier, een ander product proberen. Probeer niet meerdere producten tegelijk, omdat anders niet na kan worden gegaan waar de hond allergisch op reageert.

Bij vragen kunt u zich wenden tot één van onze assistentes.

Ons assortiment bestaan uit:

  • Kauwproducten van gedroogde struisvogel
  • Kauwproducten van zalm
  • Struisvogel koekjes
  • Visnuggets
  • Gedroogde sardientjes
  • Wildstrips
  • Maiskoekjes
  • Algenbroodjes
  • Spinaziekoekjes

Vlooienallergie

Een vlooienallergie is de meest voorkomende oorzaak van (aanhoudende) jeuk bij honden. Meestal onstaat deze allergie bij jonge dieren, maar het kan op iedere leeftijd ontstaan. Een allergie moet namelijk worden opgebouwd. Dit houdt in dat pas na herhaald contact met vlooien de allergie kan ontstaan.

Symptomen

Een hond met een vlooienallergie heeft meestal veel jeuk en krabt zich vaak. Vooral op de huid van de achterhand en rug treedt daardoor irritatie (roodheid, huidbeschadiging) en kaalheid op. Dit beeld wordt 'miliaire dermatitis' genoemd. Een miliaire dermatitis kan vele oorzaken hebben, maar vaak ligt er een vlooienallergie aan ten grondslag.

Diagnose

Als de dierenarts een vlooienallergie vermoedt, zal hij/zij eerst op zoek gaan naar de boosdoener: de vlo. Het speeksel van de vlo, dat bij een beet in de huid van de hond terecht komt, veroorzaakt de allergische reactie. Uit onderzoek is gebleken dat sommige honden al last van hun allergie kunnen krijgen van één vlooienbeet in de twee weken! Helaas is het zo dat deze beestjes kunnen springen, en er na een beet weer vandoor kunnen gaan. Heel vaak worden de vlooien dan ook niet meer aangetroffen. Wel zijn er vaak vlooienpoepjes te vinden: kleine zwarte korreltjes. Het onderscheid met zand/aarde kunt u maken door wat van deze zwarte korreltjes tussen wit, nat keukenpapier te wrijven. Bij vlooienpoep onstaat er een bruin/rode verkleuring van het papier. Dit is bloed van de hond dat in de ontlasting van de vlo terecht komt. Om vlooienallergie te bewijzen kan er ook een allergie-test worden gedaan.

Een andere manier om een vlooienallergie vast te stellen (en tevens te behandelen) is trachten de vlooien 100% te weren. Binnen enkele weken zijn de klachten dan verdwenen. Vlooienbandjes werken niet afdoende: ze werken te lokaal en tegen de meeste banden is al resistentie bij de vlooien ontstaan. Gelukkig zijn er tegenwoordig goede spot-on middelen (pipetjes) die zeer veilig zijn voor mensen en een zeer goede bescherming van het dier geven. Voorbeelden hiervan zijn Stronghold en Prac-tic. Belangrijk hierbij is dat alle dieren in huis tegelijk behandeld worden. Omdat vlooien zich in huis het hele jaar kunnen ontwikkelen (door centrale verwarming), moet de vlooienbestrijding ook het hele jaar worden volgehouden. Zie ook de pagina over vlooienmiddelen.

Behandeling

Bij heftige klachten is, naast een zeer goede vlooienbestrijding, het soms ook nodig de jeuk van uw hond te bestrijden. Dit kan met tabletten of injectie. Hiervoor worden corticosteroïden gebruikt. Omdat deze middelen op de langere duur vervelende bijwerkingen kunnen geven, proberen we het gebruik hiervan te beperken.

Als de klachten van jeuk toch aanhouden, ondanks een intensieve vlooienbestrijding, is er waarschijnlijk sprake van een andere allergie. Er moet dan gezocht worden naar een andere oorzaak, bijvoorbeeld een voedselallergie of een allergie voor iets in de omgeving.

Voedselallergie

Eliminatie Dieet

Om te onderzoeken of uw hond een voedselallergie heeft, krijgt uw dier acht tot tien weken een eliminatie dieet voorgeschreven. Er zijn twee opties: een commercieel dieet dat alleen bij dierenartsen verkrijgbaar is of zelf koken. Het voordeel van een commercieel dieet is dat daar alle benodigde voedingsstoffen inzitten, dit dieet kan zonder problemen langere tijd gegeven worden. Het zelf gekookte dieet kan alleen tijdens het eliminatiedieet gegeven worden. De kosten voor een commerciële voeding en zelf koken is voor een gemiddelde hond (20 kg) nagenoeg gelijk.

Heel belangrijk is dat uw dier naast het dieet NIETS anders eet. Dus geen snoepjes / koekjes / kauwstaafjes / tafelresten e.d.!! Ook een lepeltje melk of slagroom doet de werking van het dieet te niet!! Maak dit goed duidelijk aan alle huisgenoten en bijvoorbeeld ook bezoek. Denk ook aan de hondenuitlaatservice of een pension. Als beloning kunt u de brokjes van de speciale voeding meenemen. Krijgt u dier ook medicatie? Vraag uw dierenarts of die wel gegeven kunnen worden in deze periode. Met name 'smakelijke' tabletten kunnen problemen geven.

Verloop

De eerste drie tot vier weken ziet u vaak weinig verandering, het is belangrijk dan wel door te zetten. Binnen zes weken moet er wel verandering te zien zijn (duidelijk minder jeuk, minder rode huid/pukkeltjes) en binnen acht tot tien weken moeten de klachten helemaal verdwenen zijn. Als u zelf de maaltijden kookte, moet u daarna overstappen op een commercieel hypo-allergeen dieet (bij ons verkrijgbaar). Wij verzoeken u na vier tot vijf weken telefonisch door te geven hoe het met uw hond gaat. Aan het eind van de uitprobeer-periode (dus na acht tot tien weken) laat u het dier controleren, bij twijfel kan dat natuurlijk ook tussendoor.

Provoceren

Gaat het goed met het hypo-allergene voer, dan kunt u ander voer of koekjes/kauwstaafjes ed. gaan uitproberen. Hierbij mag u slechts een nieuw voedingsmiddel per twee weken toevoegen. De meeste mensen beginnen met een (hypo-allergene) beloning. U kunt in een dagboek bijhouden of uw dier een bepaald middel wel of niet verdraagt. Bij het geven van iets nieuws waar uw hond allergisch voor is, krijgt de hond meestal binnen een paar dagen weer jeuk. Stop dan onmiddelijk en geef daarna minimaal een á twee weken weer alleen de hypoallergene voeding. Dit geeft u tot de huid weer helemaal rustig is.

Uitkomst

Er kunnen drie uitkomsten zijn van deze test:

Uw dier is binnen acht tot tien weken geheel klachtenvrij: voedingsallergie is hiermee vrijwel zeker (om het echt te bewijzen, zou uw hond weer het oude voer moeten krijgen, en daarmee weer jeuk, het zogenaamde 'provoceren').

Uw dier reageert in het geheel niet: u ziet dus geen enkele verbetering binnen zes weken. Belangrijk is dan de huid te laten controleren op bijkomende infecties (mijten, bacteriën of gisten). Is de huid verder schoon, dan is een voedingsallergie niet waarschijnlijk. Alleen in een heel enkel uitzonderingsgeval zal een hond ook allergisch kunnen reageren op een ingrediënt van de dieetvoeding.

U merkt wel na zes tot tien weken een duidelijke verbetering (minder jeuk, minder rood, minder pukkeltjes), maar de klachten zijn niet geheel over. Is er wel strikt aan het dieet gehouden? Dan is het mogelijk dat er een combinatie is van een voedingsallergie met een allergie voor stoffen in de omgeving van de hond (atopie). Neem contact op met de dierenarts.

Terug naar Honden